Skip to main content

Collectieve energiesystemen
in 101 wijken

Collectieve energiesystemen in 101 wijken

Van ambitie naar uitvoering

De energietransitie komt letterlijk achter de voordeur. In steeds meer wijken groeit de urgentie om aardgasvrij, betaalbaar én betrouwbaar te verwarmen. Tegelijk lopen veel initiatieven vast op versnippering, complexe besluitvorming, hoge kosten en een gebrek aan duidelijke spelregels. Precies daar zetten De Bouwcampus en Topsector Energie met het programma Collectieve Energiesystemen in 101 Wijken op in.

In dit traject werken gemeenten, corporaties, netbeheerders, marktpartijen, financiers en bewoners samen aan één gedeelde zoektocht: hoe ontwikkelen en realiseren we collectieve energiesystemen die rechtvaardig, schaalbaar en uitvoerbaar zijn? Niet als papieren concept, maar in echte wijken, met echte bewoners en echte investeringsbeslissingen.

Uitgangspunten

De basis voor deze aanpak is gelegd tijdens een intensief Future Search-traject, waarin publieke en private partijen gezamenlijk uitgangspunten, dilemma’s en kansen hebben verkend. Dat heeft geleid tot één gedeeld kompas: energie als publieke voorziening, met lokaal eigenaarschap, keuzevrijheid binnen collectieve kaders, transparantie en een eerlijk speelveld als fundament.

In dit kompas komen een aantal uitgangspunten samen:

Energie als publieke nutvoorziening

We positioneren collectieve warmte- en energiesystemen niet als marktproduct, maar als publieke basisvoorziening, vergelijkbaar met water en riolering. Maatschappelijke waarde, leveringszekerheid en betaalbaarheid staan centraal.

Lokaal eigenaarschap en bewonersparticipatie

Bewoners zijn geen eindgebruikers, maar mede-eigenaar en mede-ontwerper van het systeem. We werken met energiecoöperaties, wijkcollectieven en nieuwe vormen van gedeeld eigendom.

Keuzevrijheid binnen collectieve kaders

Collectief waar het moet, individueel waar het kan. Binnen collectieve systemen blijft ruimte voor maatwerk, zonder het schaalvoordeel te verliezen.

Eerlijk speelveld en nieuwe verdienmodellen

We ontwikkelen modellen waarin kosten, baten en risico’s eerlijk worden verdeeld tussen bewoners, overheid, netbeheer en markt. Ook financiering en investeringslogica worden opnieuw bekeken.

Van systeemdenken naar wijkpraktijk

In meerdere wijken in Nederland worden deze actielijnen nu al concreet gemaakt. Van Amsterdam tot Hilversum en van Vreeswijk tot nieuwe proeftuinen elders in het land. Met vier concrete initiatieven zijn we aan de slag en worden er al stappen gemaakt.

De Bouwcampus en Topsector Energie vervult hierin de rol van onafhankelijke verbinder, versneller en kennisdrager: we begeleiden de samenwerking, ontsluiten kennis, organiseren terugkomdagen en zorgen dat lessen uit de praktijk worden gedeeld en geborgd.

Zo bouwen we stap voor stap aan een aanpak die niet alleen technisch klopt, maar ook bestuurlijk, financieel en maatschappelijk werkt. 

De vier initiatieven zijn:

Ritme van de Drum

Trekker: Maarten Claassen

Wat is er afgelopen tijd gebeurd?

Eind oktober is een vervolgbijeenkomst geweest waar verschillende deelnemers aan de Future Search op zijn aangehaakt en hulp hebben toegezegd. Buurkracht en de WarmteTransitieMakers zijn actief ingestapt om de verkenningen in buurten vorm te geven. Ondersteuning vanuit Tauw om procesmatig te ondersteunen.

Waar staan jullie inhoudelijk?

De komende 4 tot 5 maanden wordt er op basis van een data-analyse en lokaal onderzoek toegewerkt naar een lijst van 8 kansrijke buurten. Daaruit moeten 3 startopdrachten naar voren komen om voor 3 buurten een integrale aanpak vorm te geven.

En nu?

We zoeken naar strategische samenwerking met netbeheerder en woningcorporaties

Energieinfra-heffing

Trekker: Pallas Agterberg

Wat is er afgelopen tijd gebeurd?

We zijn op 18 november voor het eerst bij elkaar gekomen

Waar staan jullie inhoudelijk?

Het uitgangspunt is om de collectieve energieoplossing in een wijk tegen de laagste maatschappelijke kosten ook te laten leiden tot de laagste individuele energierekening.

We brengen nu verschillende kostencomponenten in kaart voor 3 verschillende systeemmodaliteiten; MT, ZLT en All electric. Dit doen we op drie niveau’s: bron, net en inpandige kosten. We kijken naar echte kosten en bouwen de business case vanuit daar op. Op basis daarvan willen we met andere uitgangspunten komen tot bovenstaande doelstelling:

  • Er komt een eerlijke vergelijking vanuit de bewoner geredeneerd
  • Keuzevrijheid regelen we op een andere manier
  • MKBA – niet meer per project socialiseren
  • Gebiedsgerichte oplossingen

En nu?

We hopen op tijd klaar te zijn om het nieuwe kabinetsbeleid te kunnen helpen.

Energieinfra-heffing

Trekker: Pallas Agterberg

Wat is er afgelopen tijd gebeurd?

We zijn op 18 november voor het eerst bij elkaar gekomen.

Waar staan jullie inhoudelijk?

Het uitgangspunt is om de collectieve energieoplossing in een wijk tegen de laagste maatschappelijke kosten ook te laten leiden tot de laagste individuele energierekening.

We brengen nu verschillende kostencomponenten in kaart voor 3 verschillende systeemmodaliteiten; MT, ZLT en All electric. Dit doen we op drie niveau’s: bron, net en inpandige kosten. We kijken naar echte kosten en bouwen de business case vanuit daar op. Op basis daarvan willen we met andere uitgangspunten komen tot bovenstaande doelstelling:

  • Er komt een eerlijke vergelijking vanuit de bewoner geredeneerd
  • Keuzevrijheid regelen we op een andere manier
  • MKBA – niet meer per project socialiseren
  • Gebiedsgerichte oplossingen

En nu?

We hopen op tijd klaar te zijn om het nieuwe kabinetsbeleid te kunnen helpen.

ZLT als basis infrastructuur

Trekker: Robert Jan van Egmond

Wat is er afgelopen tijd gebeurd?

De eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 21 november en er zijn al meerdere kleinere vergaderingen geweest.

Waar staan jullie inhoudelijk?

Op basis van het warmteprogramma van de gemeente wordt de voorkeurstechniek gekozen om de bestaande wijk zonder aardgas te verwarmen met als uiterste transitiedatum 2030. Bij de keuze voor een ZLT-net wordt in de gehele wijk een ZLT-net aangelegd. Het ZLT-net heeft voldoende capaciteit in de wijk en de capaciteit van de (potentiële) bronnen, evenals het E-net. Alle panden kunnen op termijn op het ZLT-net. De snelheid van aansluiten wordt door de eigenaren/bewoners bepaald. Deze keuzevrijheid wordt mogelijk door op de wijze van glasvezel het net aan te leggen.

En nu?

Het plan wordt op dit moment in deelprojecten verder uitgewerkt. Daarnaast wordt afgestemd met het CHILL-project (ZLT-project onder de MOOI regeling dat door TNO wordt getrokken) en met het ZLT-programma dat in de maak is bij TKIUE/RVO/NPLW. We hebben trouwens nog wel een hulpvraag. Er is met Pallas contact geweest over de mogelijke rol van Netbeheerders. In CHILL zit G4+Almere = Alliander+Stedin. Hoe kunnen we die verder op juiste het juiste niveau betrekken? Bewoners c.q. coöperatieve bewegingen gaan een belangrijke rol spelen om snelheid te krijgen. Hoe brengen we die in de juiste positie?

Learning Community en ondersteuningsloket

Trekkers: Petra Hofman, Harmke Bekkema en Jasper Hormann

Wat is er afgelopen tijd gebeurd?

De eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 25 november met Michiel, Petra en Jasper. Tijdens deze bijeenkomst is bevestigd dat de (voormalige) planningsgroep wordt aangevuld met mensen die daar voor zichzelf een rol in zien. Zij zullen hierin een organiserende, verbindende en lerende rol in oppakken.

Waar staan jullie inhoudelijk?

We hebben een gedeeld beeld van wat er nodig is in het veld en hoe wij daar als kerngroep op kunnen acteren. Er staan nu vier inhoudelijke routes:

  1. Matchmaking: initiatieven met een hulpvraag/blokkerend issue koppelen aan de juiste personen/organisaties.
  2. Doorbraaksessies: als matchmaking niet genoeg is, een inhoudelijke sessie organiseren.
  3. Mandaat & middelen: grotere hulpvragen escaleren richting Ambassadeurs groep, om daarmee de kans te vergroten op een structurele doorbraak.
  4. Leren & strategievorming: inzichten ophalen, analyseren en borgen in een lerende community.

 

En nu?

De volgende stap is het opstellen van een werkplan waarin de vier routes concreet worden uitgewerkt. Dat betekent: helderheid organiseren over mandaat en middelen, en een duidelijke plek creëren waar de lerende infrastructuur kan landen en zich kan ontwikkelen. Tegelijkertijd worden de eerste matchmakingcases en doorbraaksessies geselecteerd, zodat leren en doen vanaf het begin hand in hand gaan. Tot slot vindt afstemming plaats met de ambassadeurs over hun rol, de verwachtingen en de bijbehorende besluitkracht, zodat eigenaarschap en voortgang vanaf de start goed zijn geborgd.

Drie perspectieven, één gezamenlijke beweging

De energietransitie in bestaande wijken vraagt om meer dan losse oplossingen. Ze vraagt om systeemdenken, durf en samenwerking over grenzen heen. In deze reeks verhalen zoomen we in op drie perspectieven die samen laten zien waar versnelling mogelijk is.

Tjebbe Vroon (Stedin) laat zien hoe warmtenetten onmisbaar zijn voor een toekomstbestendig energiesysteem, maar ook waar het huidige systeem nog wringt. Welke rol kan – en moet – de netbeheerder spelen om collectieve oplossingen echt mogelijk te maken?

Peter Centen (Nathan) kijkt vanuit de techniek en stelt een scherpe vraag: hoe maken we Zeer Lage Temperatuur-netten betaalbaar? Zijn pleidooi voor gestandaardiseerde ‘volkspompen’ laat zien hoe kostenreductie en schaal de sleutel kunnen zijn tot opschaling.

Ans van de Griendt en Tomas Mathijsen (gemeente Heusden) laten zien hoe dat alles samenkomt in de praktijk. Hun gebiedsgerichte aanpak maakt duidelijk wat gemeenten kunnen winnen als zij niet één project, maar de hele wijk als vertrekpunt nemen.

Samen schetsen deze verhalen een route van denken naar doen.

Verhalen uit de praktijk

Tjebbe Vroon over warmtenetten

Tjebbe Vroon, strategisch adviseur bij Stedin:

“We rekenen op warmtenetten, maar hebben
de spelregels er nog niet op ingericht”

Tijdens de Future Search over collectieve energiesystemen viel voor Tjebbe Vroon, strategisch adviseur bij netbeheerder Stedin, alles op zijn plek. Niet omdat hij de problematiek rond bijvoorbeeld warmtenetten niet kende, integendeel juist, maar omdat in korte tijd scherp werd wat er op systeemniveau wringt. “We erkennen met z’n allen dat de uitrol van warmtenetten extreem complex is,” zegt hij. “Maar tegelijk gaan we er ook collectief vanuit dat ze er gewoon gáán komen. Dat is een vreemde spanning.”

Die spanning raakt direct aan het hart van de energietransitie. In vrijwel alle toekomstscenario’s spelen immers warmtenetten een cruciale rol. Landelijk wordt uitgegaan van zo’n 25 tot 30 procent collectieve warmte in de gebouwde omgeving. Voor de elektriciteitsnetten is dat essentieel. “Warmtenetten ontlasten het stroomnet,” legt Vroon uit. “Ze voorkomen dat iedereen individueel met warmtepompen tegelijk pieken veroorzaakt. Op korte én lange termijn scheelt dat enorm in de verzwaring die anders nodig is.”

Ingeboekt

Stedin rekent in zijn netplannen wél op die warmtenetten. De positieve effecten op het elektriciteitsnet zijn dus al ‘ingeboekt’. Maar de bijbehorende prikkels om warmtecollectieven ook echt van de grond te krijgen, ontbreken grotendeels. “We hebben eenvoudigweg niet de juiste incentives in place,” zegt Vroon. “We gaan ervan uit dat ze er komen, maar we kunnen de partijen die ze realiseren nauwelijks helpen om de businesscase ook echt rond te krijgen. En dat wringt. Want als samenleving hebben we ze gewoon keihard nodig.”

Vanuit zijn rol als innovator kijkt hij daarom niet alleen naar technische oplossingen, maar juist naar de systeemknoppen waaraan gedraaid kan worden. “De kunst is om te komen tot een slim gestapelde businesscase die regionaal logisch is. En daar hebben wij als regionaal netbeheerder wél degelijk een rol in.”

Flexibiliteit

Een belangrijk aanknopingspunt ziet Vroon in flexibiliteit. Warmtenetten beschikken vaak over buffers en opslag, waarmee ze hun elektriciteitsvraag slim kunnen spreiden. Dat maakt ze bij uitstek geschikt om als flexibele schakel in het energiesysteem te fungeren. Maar in de praktijk worden ze nog vrijwel altijd ‘firm’ aangesloten: met een vaste capaciteit, zonder beloning voor die flexibiliteit. “Wij mogen wel een vrijwillig flexcontract aanbieden, maar kunnen niet weigeren als dat warmtenet met een firmverzoek op de wachtrij staat en zij firm aangesloten willen worden. En dat laatste zien we in de praktijk dus gebeuren.”

Volgens Vroon zou het logisch zijn om warmtenetten direct een flexibel contract aan te bieden, waarbij ze bijvoorbeeld tegen een lager tarief meer ruimte krijgen als ze investeren in extra buffercapaciteit of slimme aansturing. “Maar dit soort meerjarige, structurele flexcontracten passen nog niet goed binnen de huidige regulering,” zegt hij.

Prioriteringskader

De uitdaging wordt nog groter door de komst van het nieuwe maatschappelijk prioriteringskader. Daarin verdwijnen de oude uitzonderingen tussen kleinverbruik en grootverbruik steeds meer. Alles gaat dan op één hoop, geprioriteerd op basis van netcapaciteit. “Onder het oude regime konden wij warmtenetten een uitzondering geven als het leidt tot een efficiëntere invulling (lees: lagere vermogensvraag). Het idee was dan: anders wordt een KV aansluiting aangevraagd en komen er individuele warmtepompen. Dat leidt tot meer vermogensvraag dus, is het bij schaarse netcapaciteit verstandiger om een GV aansluiting voor een collectief warmtenet onder voorwaarden toe te staan met minder vermogensvraag.”

Gewoon doen

Wat Tjebbe Vroon tijdens de Future Search vooral bevestigd zag, is dat abstracte discussies over eindbeelden onvoldoende zijn. “Je kunt alles vooraf perfect proberen uit te denken, maar dan gebeurt er vaak juist niets,” zegt hij. “Ik geloof veel meer in: gewoon dóén, met een goede casus. Daarmee leg je een stuk van de puzzel en leer je veel sneller wat werkt en wat niet.”

Die aanpak bewees zich eerder al bij nieuwbouw, onder meer bij het Merwedeproject waar Stedin samen met partners experimenteerde met collectieve energieconcepten en flexibele oplossingen. Diezelfde route ziet hij nu voor zich bij warmtenetten in bestaande wijken: start met één of enkele concrete projecten waarin flexibiliteit en nieuwe contractvormen worden getest. “Dan kun je met een goed onderbouwde praktijkcasus ook het gesprek met de ACM veel beter voeren dan vanuit een abstract beleidsverhaal.”

De netbeheerder als systeemknop

Bescheidenheid siert Vroon: hij claimt niet dat Stedin in zijn eentje de warmtetransitie kan oplossen. “Maar wij hebben wél een paar knoppen in handen die essentieel zijn. En als we die niet durven gebruiken, weet je eigenlijk al dat het niet goedkomt.”

Die houding is mede gevoed door de Future Search. Niet omdat daar volgens hem ineens nieuwe feiten op tafel kwamen, maar omdat de gezamenlijke urgentie zichtbaar werd. “Het was goed om dit samen te doorleven: gemeenten, corporaties, netbeheerders, marktpartijen. Dan voel je pas echt hoe afhankelijk we van elkaar zijn.”

Verkennen

Gaat het nu snel genoeg? Vroon is daar eerlijk over. “Nee, nog niet. We zijn nu vooral kostenplaatjes aan het verzamelen en speelruimte aan het verkennen. Dat is nodig, maar het is nog geen versnelling.”  Die versnelling verwacht hij pas als de eerste echte flexibele warmtenetten daadwerkelijk worden aangesloten. “Dan ga je zien wat het écht doet voor het net, voor de businesscase én voor de betaalbaarheid. En dan ontstaat er ruimte om door te pakken.”

Tot die tijd blijft hij doorduwen, soms tegen de regels in. “Mijn reguleringscollega’s zullen af en toe denken: waar is die nu weer mee bezig? Maar als we met z’n allen zeggen dat warmtenetten onmisbaar zijn, dan moeten we ook bereid zijn om het systeem daarop in te richten. Stap voor stap.”

Peter Centen over ‘zijn’ volkspompen

Peter Centen, CTO bij Nathan

‘We hebben geen experimentele
techniek nodig, maar volkspompen’

Tijdens de Future Search over collectieve energiesystemen viel één woord op dat bleef hangen: volkspompen. Geen marketingterm, maar een bewuste keuze, geïntroduceerd door Peter Centen, CTO bij Nathan. “We hebben in de warmtetransitie de neiging om alles bijzonder te maken,” zegt hij. “Terwijl we juist toe moeten naar techniek die zo gewoon wordt dat niemand er nog over struikelt.”

Met volkspompen bedoelt Centen robuuste, gestandaardiseerde pompsystemen voor Zeer Lage Temperatuur-netwerken (ZLT): niet ontworpen als maatwerkoplossing per project, maar als betaalbare, schaalbare bouwstenen van een collectief warmtesysteem. “ZLT is technisch geen exotisch concept,” stelt hij. “Wat het duur maakt, is dat we het telkens opnieuw uitvinden.”

Volgens Centen ligt de sleutel dan ook niet in nieuwe doorbraken, maar in standaardisatie. “Zolang iets als ‘speciaal’ wordt behandeld, blijft het namelijk duur. Zodra het standaard wordt, doet marktwerking zijn werk.” Hij wijst erop dat dit mechanisme zich keer op keer heeft bewezen. “Warmtepompen, zonnepanelen, omvormers: allemaal begonnen als niche en uiteindelijk fors in prijs gedaald doordat volumes toenamen.”

Voor ZLT-netten en bijbehorende pompsystemen geldt volgens hem hetzelfde. “Een dergelijke pomp hoeft geen high-end maatwerkproduct te zijn. Integendeel: hoe eenvoudiger, hoe beter. Betrouwbaar, repeteerbaar en geproduceerd in aantallen. Dán gaan de kosten omlaag.” Die kostenreductie is in zijn ogen cruciaal, zeker in bestaande wijken waar de businesscase van collectieve warmte vaak onder druk staat. “Als je techniek goedkoper en voorspelbaarder wordt, verschuift het gesprek,” zegt Centen. “Dan gaat het niet meer over óf het kan, maar over hoe snel je het wilt uitrollen.”

Andere houding

Dat vraagt wel om een andere houding in de sector. “De wil moet er zijn om zo te denken. Want uiteindelijk bepaalt de markt vraag,” stelt Centen. “Maar die vraag ontstaat alleen als er ook aanbod is dat durft te standaardiseren.” Volgens hem wordt er nu te vaak gewacht op zekerheid vooraf. “Iedereen wil garanties voordat hij instapt, maar die krijg je pas als volumes ontstaan.”

Tijdens de Future Search werd dat spanningsveld volgens Centen scherp zichtbaar. “We zitten vast in een kringetje: opdrachtgevers wachten op betaalbare oplossingen, leveranciers op schaal, en financiers op bewezen volumes. Je doorbreekt dat alleen als iemand zegt: we gáán dit doen.”

Centen wil daarin zelf een stap zetten. Zo is zijn ambitie om een volwaardig, gestandaardiseerd volkspompsysteem te ontwikkelen voor ZLT-netwerken, juist met het oog op brede toepasbaarheid. “Niet één slimme oplossing voor één wijk, maar iets dat je overal kunt inzetten. Dat is waar echte versnelling vandaan komt.”

Bredere ontwikkeling

ZLT-netten passen volgens Centen bovendien goed bij de bredere ontwikkeling van het energiesysteem. “Lage temperaturen, buffering en flexibiliteit sluiten naadloos aan bij de schaarste op het elektriciteitsnet. Hoe eenvoudiger en goedkoper je die systemen maakt, hoe aantrekkelijker ze worden voor gemeenten en bewoners.” Volkspompen zijn volgens hem geen detail, maar een randvoorwaarde. “Ze bepalen in hoge mate de betrouwbaarheid, de efficiëntie en de kosten van het systeem. Als je daar schaal in aanbrengt, trek je het hele concept mee. Dus wat belangrijk is dat wanneer het systeem goedkoper en voorspelbaar wordt, durven meer partijen in te stappen. Dan ontstaat volume. En volume is uiteindelijk wat de prijs drukt.”

Van idee naar praktijk

Tegelijkertijd is Centen realistisch als hij zegt dat standaardisatie niet vanzelf ontstaat. “Je moet bereid zijn om afscheid te nemen van perfect maatwerk en te kiezen voor ‘goed genoeg’ op grote schaal.” Maar juist daarin ziet hij de kans voor het programma Collectieve energiesystemen in 101 wijken. “Dit is precies de omgeving waar je zulke keuzes kunt maken, samen kunt leren en volumes kunt opbouwen.” Zijn oproep is helder: “Als we collectieve warmte betaalbaar willen maken, moeten we stoppen met doen alsof elke wijk uniek is. De techniek hoeft dat in ieder geval niet te zijn.” En wanneer heeft hij de eerste volkspomp klaar? Peter Centen lacht om er serieus op te laten volgen: “In de loop van dit jaar verwacht ik de eerste ontwerpen wel klaar te hebben. Gewoon met een minimalistisch design en met lage kosten. Technisch kan alles waar het om draait is hoe creëer je de transitie?”

Ans van de Griendt en Tomas Mathijsen over de Heusdense aanpak

Niet één project, maar de hele wijk als vertrekpunt

In Heusden is de warmtetransitie geen losstaand project meer. De gemeente werkt toe naar een gebiedsgerichte aanpak, waarbij niet één opgave centraal staat, maar wordt gekeken naar de totale samenhang in een wijk. “We zijn veel meer gaan kijken naar welke opgaven er spelen en hoe je die slim aan elkaar kunt koppelen,” zegt Ans van de Griendt, Ondersteuner Duurzame Ontwikkeling. “Dat heeft ons denken integraler gemaakt.”

Die omslag werd in haar ogen versterkt tijdens de Future Search rond collectieve energiesystemen. Vooral het slot van die bijeenkomst gaf Van de Griendt energie. “Er kwam een moment waarop mensen opstonden en zeiden: ‘we moeten stoppen met praten over hoe het zou moeten en gewoon beginnen’,” vertelt ze. “Niet 101 wijken tegelijk, maar eerst tien wijken waar al energie zit, waar al met bewoners wordt gewerkt. Dat voelde als: ja, dit kan wél.”

Buurtaanpak

Voor Tomas Mathijsen, Regisseur Duurzame Ontwikkeling, begon de verandering al iets eerder, via de zogeheten buurtaanpak van netbeheerder Enexis. “Enexis heeft een landelijke opgave en een eigen routekaart voor netverzwaring,” vertelt hij. “Wij hebben die routekaart als leidraad voor onze gebiedsgerichte aanpak gebruikt. We zijn daarover in gesprek met Enexis om te komen tot een gezamenlijk plan.”

Dat vroeg om huiswerk. Heusden bracht eerst zelf alle opgaven in beeld: wat speelt er per wijk op het gebied van energie, ondergrond, openbare ruimte, groen, vastgoed en nieuwbouw? “Door dat inzichtelijk te maken, konden we een eigen routekaart ontwikkelen,” vertelt Mathijsen. “Mooi om te ontdekken hoe we niet naast elkaar maar juist met elkaar werken aan de grote opgaven.” Het leidt volgens hem tot een bredere blik op zogenoemde koppelkansen. Niet alleen binnen de warmtetransitie, maar ook daarbuiten. “We zien kansen in nieuwbouw, bij bedrijventerreinen, bij gemeentelijk vastgoed en zelfs bij sportverenigingen die willen verduurzamen,” zegt Mathijsen. “Als je dat allemaal samen bekijkt, ontstaan er ineens gebieden in plaats van losse projecten.”

Kansen

In Heusden wordt scherp onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten koppelkansen. Enerzijds het combineren van opgaven: riolering, vergroening, netverzwaring, warmte. Anderzijds het verbinden van kansen: waar kunnen bronnen, afnemers en infrastructuur elkaar versterken? “En soms kom je tot de conclusie dat iets níét te combineren is,” zegt Mathijsen. “Dat is ook waardevol. Dan weet je waar je keuzes moet maken.”

Het zit volgens het tweetal in de timing. “We zagen dat Enexis in sommige wijken al bezig was met het plaatsen van transformatorhuisjes,” zegt Van de Griendt. “Als we tijdig met elkaar aan tafel hadden gezeten hadden we wellicht slimmere keuzes kunnen maken zoals bijvoorbeeld een ZLT-oplossing, waardoor er mogelijk ook minder trafo’s nodig waren in een wijk.” Mathijsen knikt: “Je leert dat te laat zijn óók een keuze is. En dat helpt om het volgende keer eerder samen te doen.”

Integraal werken

Wat Heusden vooral leerde: integraal werken ontstaat niet vanzelf. “We zeggen allemaal dat we integraal willen werken,” zegt Mathijsen, “maar dat daadwerkelijk dóén is complex. Het vraagt om een heel bewust ingericht proces.” Zo kreeg dat proces in Heusden letterlijk aan de tekentafel vorm. “We hebben meerdere middagen met collega’s uit verschillende clusters gezeten,” vertelt Van de Griendt. “Met stickers, plakkertjes, koffie en veel gesprekken. Dan ga je samen echt doorleven waar ieders opgave zit.”

Dat bleek nodig, want verkokering zit diep. “Niet alleen in mensen, maar ook in begrotingen, mandaten en verantwoordelijkheden,” benadrukt Van de Griendt. “Iedereen heeft zijn eigen doelen en deadlines. Door samen te tekenen en te praten, ontstaat begrip. Dan zie je: jij zit net als ik met een uitdaging en hoe kunnen we elkaar helpen?”

Gesprek

Die gezamenlijke basis maakt ook het gesprek met Enexis anders. In plaats van reageren op plannen, gaat Heusden het gesprek aan. “We dagen elkaar uit,” zegt Mathijsen. “Zij hebben hun afwegingskader, wij het onze. Door die naast elkaar te leggen, ontstaat ruimte.” Dat leidt niet altijd tot het eigen gewenste resultaat, maar wel tot beweging. “Enexis neemt in overweging om voor een deel van de wijken te schuiven in hun planning. Niet alles kan, maar er ontstaat een middenweg. En dat is winst.”

Belangrijk daarbij is ook bestuurlijke rugdekking. “We hebben betrokken wethouders die bereid zijn om, als het nodig is, bestuurlijk het gesprek te voeren,” zegt Van de Griendt. “Dat geeft vertrouwen en snelheid.”

Les

De belangrijkste les die zij willen meegeven aan andere gemeenten is verrassend eenvoudig: begin bij het proces. “Je kunt dit niet in één overleg regelen,” zegt Mathijsen. “Je moet elkaar leren kennen en begrijpen dat iedereen met schaarste werkt zoals tijd, ruimte en capaciteit. Daar moet je samen keuzes in maken.” Daarnaast is het belangrijk om het maken van keuzes niet te vermijden. “Soms blijkt iets niet te combineren,” zegt Mathijsen. “Dat is geen falen, dat is helderheid. En helderheid helpt bestuurders om richting te geven.”

Beweging

In Heusden ligt nu een gezamenlijke beweging richting een collectieve oplossing, waarin woningcorporatie, inwoners en gemeente samen optrekken. “We zijn nog niet aan het eind,” zegt Van de Griendt. “Maar we hebben wel een gedeeld vertrekpunt.” Mathijsen vat het nuchter samen: “De energietransitie is een grote opgave. Die los je niet in één keer op. Maar als je de wijk als geheel durft te zien en stap voor stap keuzes maakt, wordt hij wel behapbaar.” Of, zoals Van de Griendt het fijntjes zegt: “Een olifant eet je ook stukje voor stukje.”

Agenda

Binnen het traject organiseren wij met enige regelmaat bijeenkomsten. Die vind je dan hieronder. Bekijk alle andere bijeenkomsten van De Bouwcampus

Bouwcampus Team

Michiel Damoiseaux

Transitiemanager