Niet óf, maar waar industrieel bouwen wél kan
Industrieel bouwen is geen kwestie van een fabriek aanzetten en woningen produceren. De keuzes die industrialisatie mogelijk maken, worden namelijk al veel eerder genomen: bij de locatie, het programma, de stedenbouw en het ontwerp. Met een ‘menukaart’ wil woningcorporatie Ymere die keuzes zichtbaar en bespreekbaar maken. Tijdens een Koploperdialoog onderzochten opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers, overheden en kennispartijen wat het instrument voor de hele sector kan betekenen.
De woningbouwopgave is groot. Tegelijkertijd zijn personeel, grondstoffen en financiële middelen schaars en moeten woningen sneller, betaalbaarder en duurzamer worden gerealiseerd. Binnen het Innovatie- en Opschalingsprogramma (IOP) is daarom het doel gesteld om in 2030 de helft van de nieuwbouwwoningen industrieel te bouwen. Maar wanneer is een woning eigenlijk industrieel? En hoe kan een opdrachtgever daarop sturen zonder de oplossing al bij voorbaat vast te leggen? Vooral deze vragen stonden centraal tijdens de Koploperdialoog die Ymere, het Lente-Akkoord 2.0 en De Bouwcampus in Den Haag onder de vlag van IOP organiseerden.
Ymere ziet industrialisatie als een belangrijke voorwaarde om ook in de toekomst voldoende woningen te kunnen bouwen, renoveren en onderhouden. Daarom heeft zij dit ondergebracht in het programma ‘Continuïteit in nieuwbouw en bestaande bouw door de inzet van industrialisatie’.
Om erop te kunnen sturen ontwikkelde Ymere een menukaart waarmee projectteams onderzoeken welke mogelijkheden een project biedt voor industrialisatie. Het instrument kijkt daarbij onder meer naar standaardisering en herhaling van woningplattegronden en gebouwonderdelen, materialisering, prefabricage en assemblage in twee of drie dimensies en robotisering. Daaruit volgt vervolgens een indicatieve score voor de mate van industrialisatie. Toch is dat cijfer niet het belangrijkste resultaat en nadrukkelijk geen norm. De waarde zit volgens Ymere vooral in de denkoefening die eraan voorafgaat. Waar zijn repetitie en standaardisering mogelijk? Welke ontwerpkeuzes vergroten die ruimte en waar gaat ze juist verloren? “Het gaat niet zozeer om het cijfer”, stelt een aanwezige tijdens de Koplopersdialoog. “Het gaat om de denkoefening: word je bewust van de kansen op deze locatie.” En juist daarmee verschuift het gesprek van de vraag óf een project industrieel is naar de vraag waar en op welke onderdelen industrialisatie wél mogelijk is. De menukaart biedt opdrachtgever, ontwerper en maker daarvoor een gezamenlijke taal.
Kansenscan
De menukaart kan al bij het begin van een project worden ingezet als kansenscan. In de ontwerp- en uitvraagfase helpt zij immers om ambities vast te leggen zonder één product, leverancier of bouwsysteem voor te schrijven. Ook kan de kaart gedurende de ontwikkeling opnieuw worden gebruikt. De menukaart maakt dan zichtbaar welke keuzes de mogelijkheden voor industrialisatie vergroten of juist beperken.
Dat vraagt overigens wel om vroegtijdige betrokkenheid van de verschillende partijen. Ontwikkelaars, architecten, stedenbouwkundigen en makers werken ieder vanuit hun eigen kennis, processen en belangen. Met de menukaart kunnen zij eerder bespreken hoe de keuze van de één doorwerkt in de mogelijkheden van de ander. “Je schrijft er niets mee voor, je gaat alleen het gesprek aan over wat je gaat doen om je doel te bereiken,” merkt een deelnemer aan de dialoog op.
Ymere gebruikt de systematiek niet alleen voor nieuwbouw. Zo is de kaart voor renovatie en onderhoud aangepast om bijvoorbeeld te sturen op de standaardisering van gevels en kozijnen. Ook op gebiedsniveau kan het instrument van waarde zijn. Dan gaat het om de vraag hoe een stedenbouwkundig plan ruimte kan bieden aan verschillende industriële bouwsystemen, zodat oplossingen niet te vroeg worden uitgesloten.
Opdrachtgever
De dialoog maakte duidelijk dat industrialisatie niet alleen een technisch of bouwkundig vraagstuk is. Het vraagt ook om een andere manier van opdrachtgeven. Wie de impact wil vergroten en wil opschalen, moet verder kijken dan één project en continuïteit en voorspelbaarheid over meerdere projecten organiseren. Zo ontstaat er ruimte om met bouwpartners te leren, kennis opnieuw te gebruiken en productiestromen op te bouwen.
Daar ligt ook een verbinding met conceptueel bouwen. Dezelfde woonopgave kan immers op verschillende manieren worden ingevuld: met een conceptuele oplossing, met vergaand geprefabriceerde onderdelen of met complete fabriekswoningen. Een scherpere plaats voor conceptueel bouwen kan de menukaart volgens de deelnemers beter laten aansluiten op de uitvoeringspraktijk.
Kritische vragen
Tijdens de bijeenkomst was er ook aandacht voor verschillende kritische aandachtspunten. Zo werd besproken hoe je voorkomt dat maakbaarheid en herhaalbaarheid ten koste gaan van architectonische en ruimtelijke kwaliteit, en hoe sociale duurzaamheid en de identiteit van een buurt voldoende plek krijgen. Mogelijk vraagt dat om een aanvullende laag bij de menukaart, zonder het instrument zo uitgebreid te maken dat zijn eenvoud verloren gaat.
Ook gemeenten en stedenbouwkundigen spelen een belangrijke rol. Gedetailleerde kaders kunnen industriële oplossingen onbedoeld blokkeren. Meer flexibiliteit kan ruimte bieden aan verschillende bouwsystemen, terwijl de eisen aan ruimtelijke kwaliteit overeind blijven. De vervolgstap is daarom om de menukaart met andere opdrachtgevers, ontwerpers en makers verder te beproeven en te verrijken. Want industrieel bouwen begint niet in de fabriek. Het begint bij de manier waarop partijen samen de vraag formuleren, keuzeruimte organiseren en van projecten leren.

Hugues Houlmann:
‘De menukaart moet werelden bij elkaar brengen’
De Koploperdialoog was voor Hugues Houlmann, innovatiemanager bij Ymere, een belangrijke bevestiging voor de menukaart waar hij de founding father van is. “Architecten, bouwers en overheden zeiden: dit is interessant, hiermee kunnen we een betere dialoog voeren. Toen dacht ik: we hebben echt iets in handen. Het is nog niet perfect, maar dat hoeft ook niet. Dit is een collectieve opgave. We hebben iedereen nodig.”
De oorsprong van de menukaart ligt bij de Nieuw Hollandse Bouwstroom. Ymere selecteerde daarin samen met andere corporaties bouwpartners om sneller flexwoningen te ontwikkelen en produceren. “Onze reguliere bouwpartners hadden toen niet altijd de bouwtechniek of de focus om dat te kunnen doen. Daar is voor ons het industriële bouwen begonnen.”
Toen echter industrieel bouwen van tijdelijke naar reguliere woningbouw verschoof, besloot Ymere het breder aan te pakken. Zo kwamen bijvoorbeeld ook renovatie en onderhoud in beeld. “We hebben een tekort aan mensen, grondstoffen en middelen. De bouw moet efficiënter worden door meer te standaardiseren, te prefabriceren en arbeid waar mogelijk door machines te laten uitvoeren.” De landelijke ambitie om in 2030 de helft van de woningen industrieel te bouwen, riep een praktische vraag op. “We konden nergens een eenduidige definitie vinden. Iedereen heeft er een ander beeld bij. Hoe kun je dan bepalen waar je staat en hoe je naar die 50 procent toewerkt?”
Kansen
Zo ontstond de menukaart. Die brengt namelijk al vroeg in een project de kansen voor industrialisatie in beeld. Niet om ieder project zo industrieel mogelijk te maken. “Bij 50 procent industrieel hoort ook 50 procent traditioneel. Sommige binnenstedelijke projecten vragen door hun locatie, welstandseisen of architectuur om een andere aanpak. Maar misschien kun je daar wel onderdelen prefabriceren of nieuwe materialen toepassen.” Volgens Houlmann bestaat er daarom geen harde grens tussen traditioneel en industrieel bouwen. “Het zal altijd een mengvorm zijn, met een kleinere of grotere mate van industrialisatie.”
Gewenning
Binnen Ymere vraagt dat nog om gewenning. “Sommige ontwikkelaars werken al jaren op deze manier zonder het zo te noemen. Anderen reageren: we horen je, maar je gaat ons niet vertellen wat we moeten doen. Zij moeten het eerst ervaren om het te kunnen omarmen.” Gezien het enthousiasme over de menukaart tijdens de Koploperdialoog lijkt dat laatste een kwestie van tijd. “Ik zag die bijeenkomst als een belangrijke bevestiging. We hebben echt iets in handen. Het is nog niet perfect, maar dat hoeft ook niet. Dit is een collectieve opgave. We hebben iedereen nodig.”
Juist architecten en stedenbouwkundigen moeten volgens hem nadrukkelijk aansluiten. Te dichtgetimmerde beeldkwaliteitsplannen kunnen industriële oplossingen al uitsluiten voordat een project begint. “We moeten randvoorwaarden creëren waarbinnen bouwers kunnen maken wat nodig is en architecten tot nieuwe kwaliteit kunnen komen. Industrieel bouwen kan juist leiden tot nieuwe architectuur.” Op de vraag of hij daar al een beeld bij heeft schudt Houlmann zijn hoofd. “Nee dat heb ik niet. Die vraag moeten architecten beantwoorden maar ik vind het daardoor wel een spannende periode.”
Ontwerpende blik
Een ontwerpende blik is Houlmann touwens niet vreemd. Zo werd hij in Zwitserland opgeleid als architect, werkte in de interieurarchitectuur en leidde bij hotelketen citizenM een onderzoeks- en ontwikkelafdeling. “In mijn loopbaan ben ik eigenlijk van architect naar bouwer en vervolgens naar opdrachtgever gegaan.”
Invloed
Bij een corporatie verwacht hij meer invloed te kunnen uitoefenen. Niet door zelf het eindbeeld te bepalen, maar door ruimte te scheppen. “Ik wil als opdrachtgever de randvoorwaarden bieden waarbinnen architecten de beste vertaling kunnen maken.” Hij zie in het verlengde hiervan de menukaart vooral als praktisch gereedschap. “Rijksambities zijn mooi, maar uiteindelijk moet je weten wat je morgen in een project anders kunt doen. Met deze kaart proberen we het ‘wat’ en het ‘hoe’ bij elkaar te brengen. Als zij helpt om de dialoog, de samenwerking én uiteindelijk projecten te versnellen, is ze geslaagd.”