De tijd is rijp voor structurele innovatie

De tijd is rijp voor structurele innovatie

Annemieke Nijhof was tot december 2018 interimbestuursvoorzitter van De Bouwcampus en algemeen directeur van advies- en ingenieursbureau Tauw Group. We vroegen haar: Wat is er bereikt en  welke kant gaat het op? Haar advies: ‘Maak van  De Bouwcampus een magneet voor vernieuwers.’

Geplaatst: 10 januari 2019

Deel deze pagina

Je hebt veel tijd gestopt in De Bouwcampus. Waarom?
‘In de jaren ’90 was ik betrokken bij programma’s zoals NOBIS, over biologische bodemsanering, en Habiforum, over meervoudig ruimtegebruik. Met Leven met Water beoogden we de technische kant van waterbeheer te verweven met de sociaaleconomische, bestuurlijke en juridische aspecten. Mijn loopbaan heeft zich ontwikkeld onder invloed van breed opgezette onderzoeksprogramma’s die ertoe dienden kennis te ontwikkelen en innovatie te stimuleren ten gunste van urgente maatschappelijke vraagstukken. Ik heb gemerkt hoe belangrijk het is om een biotoop te organiseren voor mensen die met gelijkgestemden willen werken aan vernieuwing en verandering. Aan vindingrijkheid is in de bouwsector geen gebrek, daar ben ik van overtuigd. Als jurylid van verschillende competities zie ik fantastische nieuwe ideeën en toepassingen de revue passeren. Maar dat wil niet zeggen dat de sector zelf innovatief is. Toen er over de oprichting van een Bouwcampus werd gesproken zag ik gelijk in hoe deze het leervermogen in de sector zou kunnen verhogen en het vernieuwingsproces zou kunnen versnellen. Daar heb ik me voor ingezet.’

Is het gelukt om die biotoop te creëren?
‘Ja, want de mensen die hier deelnemen aan gesprekken en sessies zijn doorgaans enthousiast. Maar we moeten de functie van De Bouwcampus nu scherpstellen. We zijn begonnen met een beeld van een omgeving zoals die bijvoorbeeld in Eindhoven voor de automotive-industrie is ontstaan, met veel bedrijvigheid rondom een kennisorganisatie. Doordat aanvankelijk veel aandacht is besteed aan de ontwikkeling van het concept, is de inhoud van het programma naar de achtergrond verdwenen. Het programma is grotendeels reactief tot stand gekomen. Rijkswaterstaat, de Nationale Politie en andere organisaties zijn gekomen met vragen die ze hier aan andere partijen wilden voorleggen. Opdrachtgevers en opdrachtnemers hadden een paar jaar geleden een grote behoefte aan normalisering van de relaties, waarvan de Marktvisie uit 2016 getuigt. In die behoefte heeft De Bouwcampus voorzien. Marktpartijen hebben hier geoefend met allerlei werkvormen en methoden om dezelfde taal te leren spreken. Intussen heeft De Bouwagenda de maatschappelijke zwaartepunten voor de sector geïdentificeerd. De tijd is rijp om als partners van De Bouwcampus deze omgeving en het bijbehorende netwerk te gebruiken om structurele innovatie in de sector te bewerkstelligen.’

Hoe zie je dat voor je?
'Wat je wilt, is dat wanneer Rijkswaterstaat of een andere organisatie tot een innovatie komt in een van haar grote projecten, deze tegelijkertijd toegankelijk wordt voor provincies, gemeenten, waterschappen en private opdrachtgevers. Dan is het effect van vernieuwing op de maatschappij veel groter. Dit betekent dat we op De Bouwcampus alleen aan de slag gaan als er op voorhand een brede basis is van opdrachtgevers die voor de gewenste schaalsprong zorgen. Is een huisvestingsvraag van de politie ook interessant voor zorginstellingen, scholen of de Dienst Justitiële Inrichtingen? Kun je die koppeling al maken voordat je begint?’

Om welke opgaven gaat het?
‘De vervanging van verouderde infrastructuur is echt een gemeenschappelijke opgave. Dat geldt ook voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving door ze energieneutraal en klimaatadaptief te maken. Daar hoort een energieneutraal en circulair bouwproces bij, vrij van grond- en afvalstoffen. En in de komende dertig jaar gaan we overal de ondergrond in om nieuwe ruimtelijke voorzieningen te maken en om netwerken aan te leggen of aan te passen: kunnen we dat op een intelligente, efficiënte manier doen? Dit zijn volgens mij de drie thema’s die voorlopig het programma van De Bouwcampus bepalen. Alle opdrachtgevers staan voor dezelfde opgaven. Hoe kan het slim en duurzaam? Met hun aanbestedingsmethoden en concurrentiebeding zijn publieke opdrachtgevers zelf echter mede debet aan het feit dat de bouwsector een projectencultuur heeft. We gaan van project naar project. Voor structureel leren en innoveren is voorshands weinig ruimte.’

Wat moet er anders?
‘Door een systeem van open innovatie te ontwikkelen, kunnen marktpartijen beter gehoor geven aan de roep om vernieuwing. Hun werkplaats van vernieuwing – De Bouwcampus – vervult een spilfunctie. In een pre-concurrentieel stadium geven belangstellende opdrachtgevers samen invulling aan de ontwikkeling en toepassing van nieuwe concepten. Let wel, als je aan de aanbestedingskant geen ruimte voor innovatie schept, heeft de rest geen zin. Dus idealiter zet een gemeente de vervanging van honderdvijftig fietsbruggen niet als afzonderlijke projecten in de markt, maar als drie clusters waarop consortia alleen kunnen inschrijven als ze een bepaald percentage aan mkb-bedrijven bevatten. En het proces is zo ingericht dat wat je van de eerste tien bruggen leert, je op de volgende veertig kunt toepassen.’

‘Innoveren moet wel lonen. Als werk meer programmatisch en met een langere doorlooptijd in de markt wordt gezet mag je van de sector best vragen om ook in onderzoek te investeren. Kijk, in de bouw bepalen de grote aanbestedende partijen de marktcondities. De Bouwcampus is in principe hún werkplaats van vernieuwing. Zij zouden dus meer eigenaarschap moeten tonen en heldere doelen voor innovatie moeten stellen waarop opdrachtnemers zich kunnen richten.’

Dus, samenvattend, waarom doen partijen mee aan de activiteiten van De Bouwcampus?
‘Opdrachtgevers van bouwprojecten, publiek en privaat, hebben behoefte aan kennis en vernieuwing. Die leggen er gezamenlijk een bepaalde vraag neer. Dan de kennisinstellingen. De tijd dat wetenschappers in een ivoren toren onderzoek kunnen doen is allang voorbij. Voor hen is het belangrijk verbonden te zijn met de koplopers in hun veld. Om te weten wat er speelt, maar vooral omdat een wetenschapper wil dat zijn kennis wordt gevaloriseerd en gebruikt om de wereld beter te maken. Bouwbedrijven en ingenieursbureaus, ten derde, kunnen bij De Bouwcampus terecht om richting te geven aan de oplossingen van de toekomst. Die zij vervolgens zelf kunnen uitvoeren. Kan de milieukwaliteit hoger? Kan de bereikbaarheid beter? Mooie dingen maken, goede oplossingen verzinnen: dat is wat bouwers en ingenieurs het liefst doen. Dat is hun vak. Wat fijn dat er een neutrale, inspirerende plek is waar al die mensen elkaar kunnen ontmoeten en hun vakkennis alsook de liefde voor hun vak kunnen delen. Mijn tip voor een nieuw bestuur: zorg voor twee of drie sterke programma’s en maak van De Bouwcampus een magneet voor vernieuwers.’

Foto Annemieke Nijhof: ANP Foto